![]() |
||
|
NIEUWSBRIEF ARBEIDS- & ORGANISATIEPSYCHOLOGIE |
|
Onder ons Ik weet nog dat mijn vader zich neerlegde bij mijn studiekeuze psychologie toen een goede vriend hem verzekerde dat ik dan op de afdeling Personeelszaken van een groot bedrijf kon werken. Dan hebben we de psychologen Arbeid & Gezondheid, die wachten zelfs nog op erkénning. En daar val ik nu onder. Na vijfentwintig jaar werken als psycholoog bij een landelijke Arbo-dienst, wacht ik nog steeds op erkenning en slaat de twijfel toe: is mijn vak meer dan gezond verstand? In het meinummer van De Psycholoog (jaargang 39, mei 2004, nummer 5) valt mijn oog op het artikel van De Dreu over de psychologie van conflictescalatie op het werk. Ik geniet van dit artikel. Al lezend doemen in mijn gedachten de heren Herman Heinsbroek en Eduard Bomhoff op die elkaar als LPF-ministers steeds formeler gaan benoemen. Geen Eduard of Herman, maar collega of minister. Wat de één belangrijk vindt, ziet hij als doel van de ander. Voor minister Bomhoff is dat zijn positie als vice-premier, voor Heinsbroek het nastreven van de politieke leiding van de partij. Dreigementen vervangen vriendelijkheid. Heinsbroek wil de partij desnoods opdelen en tot plezier van onze cabaretiers worden specifieke en gedetailleerde zaken tot algemene kwesties uitvergroot. Zo gebruikt Bomhoff een belletje waarmee hij als voorzitter een agendapunt afsluit. Heinsbroek brengt dat in de openbaarheid en stelt dat hij (dus) met zo’n man niet kan samenwerken. Geheel volgens de regels van de psychologie van conflictescalatie op het werk, geldt dat niet de winst voor zichzelf, maar het toebrengen van schade aan de ander het doel wordt. Heinsbroek en Bomhoff spreken niet meer met elkaar, zijn niet meer tegelijkertijd in dezelfde ruimte. Meer schade dan de val van het kabinet op de avond na de bijzetting van Prins Claus is niet voor te stellen. Het conflict is geëscaleerd en wereldnieuws. Dit artikel, en mijn vijfentwintig jaar werkervaring, geven mij meer inzicht in de perikelen rond de twee voormalige LPF-ministers. Even heb ik het gevoel dat wij als psychologen Arbeid & Gezondheid een instrumentarium tot onze beschikking hebben, een goed middel tegen twijfel over onze beroepsgroep. Een andere situatie. Een jonge werkende moeder is naar mij verwezen door de bedrijfsarts. Het huilen staat haar nader dan het lachen. Ze is al tijden moe, erg moe. Slaapt niet goed, piekert veel. Ze weet niet wat er met haar aan de hand is. Ze vindt haar werk als journalist leuk, al kan ze de late diensten nu nauwelijks opbrengen. Een paar jaar geleden had ik niet geweten wat ik met haar aanmoest. Nu vraag ik naar haar spierspanningklachten. Die heeft ze in haar nek. Concentratievermindering? Ja. Prikkelbaarheid? Ja. Het hele pakket van spanningsklachten is volledig aanwezig en bij navraag blijkt haar roofbouwproces al twee jaar bezig. De komst van haar kind ziet zij als start van dit proces. Ze heeft dat moederschap er ‘gewoon bij gedaan en niets nagelaten van wat ze daarvoor belangrijk vond. Ik geef een diagnose en weet dan ook dat ze met zes zittingen weer aan de slag kan zijn. Maar zou een andere psycholoog dezelfde vragen hebben gesteld en tot dezelfde conclusie zijn gekomen? Dat vraag ik mij af en dat doet mij twijfelen. In de kantine vraagt een bedrijfsarts mij wat ik eigenlijk doe met de mensen in de spreekkamer. Wat antwoord je iemand die vraagt wat je als psycholoog eigenlijk doet? Gebruik ik een psychologisch instrumentarium of ben ik mijn eigen instrument? Weer slaat de twijfel toe. Ik denk aan het voorbeeld wat ik tijdens intakes gebruik om de Rationele Effectiviteits Training (RET) uit te leggen. Wat doe je als je ’s nachts wakker wordt van een onverwacht geluid buiten bij je achterdeur? Wat denk je dan? Waarschijnlijk zit je rechtop in bed en voel je je hart in je keel kloppen. Je denkt dat het een inbreker is. Wanneer je eenmaal denkt dat het een inbreker is loop je niet meer ontspannen door je eigen huis. Het geluid kan echter ook door twee katten veroorzaakt zijn, of door de buurman. Daar hoef je niet van te schrikken. Je eigen visie op een gebeurtenis, zoals het geluid aan een inbreker toeschrijven, bepaalt je gedrag. RET is gebaseerd op de cognitieve theorie, een instrumentarium dus. Een goed middel tegen mijn twijfel. Onder ons durf ik wel te stellen dat ik vaker enthousiast ben over een artikel zoals dat van De Dreu. Een artikel waarin een theorie tot bruikbare gedachten leidt en waardoor mijn twijfel vermindert over onze werkwijze. Maar de cognitieve theorie stelt dat gedachten slechts gedachten zijn en géén feiten. Dan hoef ik me dus helemaal geen zorgen te maken over wat ik denk! Een heerlijk idee, al weet ik niet wat ik dáár nu van moet denken. Michiel Perk Psycholoog Arbo Unie Regio Enschede/Hengelo
|
|||
| [AenO-items] | |||