achtergrondfiguurAlgemeen04
logo_nip03
logo_waop03

NIEUWSBRIEF ARBEIDS- & ORGANISATIEPSYCHOLOGIE
Jaargang 3 - nr. 1 - februari 2005

Ben ik mijn broeders hoeder?
Door Jos Mulder

Als psycholoog van een onafhankelijke indicatiecommissie die aanvragen op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) beoordeelt, kreeg ik in medio november vorig jaar een brief van een collega. Ik had deze collega eerder aangesproken op zijn werkwijze bij een advies over een mogelijke WSW-indicatie voor een cliënt. Deze brief eindigde als volgt:

'Dat uw bevindingen vanuit uw achtergrond afwijken van mijn psychodiagnostische inschatting is mogelijk professioneel te duiden. Maar dat u mij achteraf op gaat bellen om mij te gaan onderhouden en kapittelen over inhoud en procedure van mijn afgegeven advies, verbaasde mij op zijn minst. Vanuit welk vermeend verantwoordelijkheidsgevoel, mandaat of aanmatigende opstelling u mij achteraf meende te moeten benaderen, blijft voor mij derhalve een raadsel.'

De collega was boos omdat ik hem telefonisch benaderd had en over hoe ik hem benaderd had. Volgens hem vanuit een vermeend verantwoordelijkheidsgevoel en een aanmatigende opstelling. Naar mijn mening had ik hem echter zeer terecht benaderd, zowel op grond van de door hem gevolgde werkwijze, waarin voorbij was gegaan aan essentiële rechten van een cliënt, als op grond van de manier waarop hij zijn bevindingen had gerapporteerd.

Wat was er gebeurd? De bewuste collega had als adviseur van een reïntegratiebedrijf een diagnostisch gesprek gehad met een cliënt om de eventuele haalbaarheid van een WSW-indicatie te beoordelen. Bij mijn rol als psycholoog van de onafhankelijke indicatiecommissie hoort onder andere: het beoordelen van het intakedossier, met daarin eventuele verslagen van professionals die bemoeienis hebben gehad met de cliënt.

Als psycholoog van de indicatiecommissie heb ik met alle cliënten die in de commissie besproken worden, een persoonlijk gesprek van ongeveer een uur. Daarin wordt onder andere, als daar aanleiding toe is, het behandelverleden van de cliënt besproken.

De cliënt in kwestie was geruime tijd geleden opgenomen geweest in een psychiatrische kliniek. De behandeling had het beoogde doel bereikt. Recentelijk had de cliënt opnieuw hulp gezocht in verband met alcoholafhankelijkheid. Ook die ondersteuning had inmiddels tot een verbetering in zijn functioneren geleid. Tussen deze twee behandelingen lag een periode van enige jaren.

In de rapportage van de collega kregen beide behandelingen veel gewicht, te meer daar hij ze niet nadrukkelijk in de tijd scheidde en het positieve behandelresultaat niet in zijn overwegingen had betrokken. In het gesprek dat ik met de cliënt had, werd mij bovendien duidelijk dat de inhoud van de rapportage niet bij de cliënt bekend was. Er was wel een gesprek geweest, maar de cliënt had nooit een verslag gezien.

Voor mij meer dan voldoende aanleiding om per telefoon contact te zoeken met de collega. Ik wilde met hem over een tweetal zaken van gedachten wisselen: ten eerste een verschil van inzicht over de mate waarin sprake was van een psychische arbeidshandicap, ten tweede het naar mijn oordeel voorbijgaan aan een belangrijk recht van de cliënt: recht op informatie over de uit te brengen psychologische rapportage. De collega was die dag telefonisch niet bereikbaar.

Tijdens het telefoongesprek met de collega, de daaropvolgende dag, heb ik als eerste de door hem gevolgde werkwijze aan de orde gesteld: het niet of onvoldoende aan de cliënt duidelijk maken dat er verslaglegging plaatsvindt, de bevindingen niet meedelen en geen inzage geven in het onderzoeksverslag. Dat is in mijn ogen niet alleen onbeleefd, maar zeker ook onethisch.

In hetzelfde telefoongesprek heb ik ook mijn kritiek kenbaar gemaakt op de wijze van onderbouwen van de ernst van de psychische problematiek. Verder heb ik de collega laten weten dat de indicatiecommissie onvoldoende gronden aanwezig achtte voor een WSW-indicatie. Een kleine week later viel zijn brief met bovenstaand slot bij mij op de mat.

Ik voel en beschouw mezelf als medeverantwoordelijk voor een goede en correcte beroepsuitoefening. Als ik daarin missers waarneem, moet ik mijn collega’s daarop kunnen aanspreken.

Om professioneel te kunnen (blijven) functioneren is feedback noodzakelijk. Positieve feedback doet vaak weldadig aan, negatieve feedback roept vaak gêne op. Boos worden mag, maar dan vooral op jezelf.

Jos Mulder is directeur van Arbeids Psychologisch Advies te Den Bosch

Wilt u reageren op dit artikel? Stuur dan een e-mail naar de redactie (ao-items@psynip.nl).

 

[AenO-items] [AenOfeb2005]