algemeen
nip
waop
       

NIEUWSBRIEF ARBEIDS- & ORGANISATIEPSYCHOLOGIE
Jaargang 10 - nr. 2 - april 2012


De psycholoog voor de klas (4)

Monique Bekker

Als ik de columns en artikelen lees in A&O-items valt het mij op dat de inhoud zich vooral concentreert op medewerkers in de zakelijke sector. Er is echter ook een grote groep A&O/Sociaal psychologen die werkzaam is in de onderwijssector. Zij geven bijvoorbeeld lessen psychologie in onderwijs- en gezondheidszorgopleidingen. Zelf ben ik een van deze psychologen.


Hoe houd je je zelfbeeld in stand?

Iedereen die lesgeeft of voor groepen staat kent het wel. Soms lijkt het helemaal vanzelf te gaan. Je hebt je bijeenkomst goed voorbereid; de groep is belangstellend en leergierig, de sfeer is goed. Voor je het weet is de tijd om en kijk je terug op een geslaagde les of training. Op die manier wil je altijd wel met groepen aan het werk. Helaas kennen we ook andere ervaringen. Je zit niet lekker in je verhaal, de groep is druk of reageert bijna niet, de bijeenkomst lijkt niet om door te komen. Wat nu?

Als docent of trainer (maar ook als mens) zijn wij geneigd op zoek te gaan naar de oorzaak van deze minder geslaagde bijeenkomsten. Zolang de oorzaak buiten jezelf ligt (bijvoorbeeld omdat het warm is buiten), is er nog weinig aan de hand. ‘Externe attributies’ werken feilloos. Maar soms moet je onder ogen zien dat de oorzaak niet valt toe te schrijven aan externe factoren. Dan word je door jezelf uitgedaagd om een en ander onder de loep te nemen. Dat valt niet altijd mee. Soms kan zo’n analyse een aanslag op je zelfbeeld betekenen.

Cognitieve dissonantie
Wanneer we op ‘bewijzen’ stuiten die ons (meestal rooskleurige) zelfbeeld in gevaar brengen, voelen we ons over het algemeen niet prettig en ervaren we spanning. Deze spanning, die wordt veroorzaakt doordat er iets plaatsvindt wat in tegenspraak is met hoe wij denken dat wij zijn, wordt cognitieve dissonantie genoemd. Een bekend fenomeen binnen de sociale psychologie en voor het eerst nader onderzocht door Leon Festinger in 1957. Cognitieve dissonantie is een belangrijke motivator van menselijke gedachten en gedragingen en leidt meestal tot acties die het gevoel van spanning doen afnemen. Wij willen graag zo snel mogelijk van die spanning af. De wijze waarop we dit doen is fascinerend:

  • we veranderen ons gedrag zodat het in overeenstemming komt met de dissonante cognitie, of
  • we rechtvaardigen ons gedrag achteraf, door één van de dissonante cognities te veranderen of nieuwe cognities toe te voegen.

Rechtvaardiging achteraf
Een belangrijke manier om spanning te reduceren is het ‘rechtvaardigen achteraf’. In de praktijk doen we dat regelmatig. Stel je geeft les of een training aan een groep die al tijdens de bijeenkomst met het commentaar komt niet tevreden te zijn over de inhoud. Bij menig docent of trainer zal dit spanning opleveren. Ingaan op de feedback en je programma wijzigen, zouden op dat moment de spanning wat kunnen verlichten, maar dat lukt niet altijd. Achteraf bekruipt je de twijfel. Ging het echt zo slecht, of waren de deelnemers eigenlijk vervelend, veeleisend en zeurpieten? Door op zoek te gaan naar bewijzen die dat laatste verder onderbouwen - bijvoorbeeld door met een collega over die vervelende groepsleden te praten - kun je uiteindelijk het vervelende gevoel over de bijeenkomst reduceren. Je zelfbeeld staat weer overeind.

Feedback
Je kunt je afvragen of deze rechtvaardiging achteraf jou nog meer oplevert. Je zelfbeeld is dan wel gered, maar zou het niet beter zijn om je te verdiepen in de werkelijke reden van de minder geslaagde bijeenkomst en je te richten op het veranderen van je gedrag? Als je dit pad kiest, zou je gedrag in overeenstemming zijn met je dissonante cognities; het programma was niet goed, je moet er wat aan doen. Maar daarvoor heb je feedback van anderen nodig.

Oprechte feedback houdt je scherp en zorgt dat je niet stil blijft staan. Een model dat zicht geeft op hoe je je aan anderen presenteert is het zogenaamde Johari raam. Dit model leert ons onder andere dat door het ontvangen van feedback je je blinde vlek(ken) kunt verkleinen (Remmerswaal, 2006). Maar niet alle ‘feedbackgevers’ hebben de intentie om je verder te helpen. In dat geval komt feedback minder oprecht over, en is het niet duidelijk of en hoe je je gedrag moet veranderen. Waarom doen deelnemers zoiets? Misschien kan ook hier ‘rechtvaardiging achteraf’ een antwoord op geven.

Neerwaarts vergelijken
Ook de deelnemers aan een bijeenkomst kunnen dissonantie ervaren. Bijvoorbeeld omdat het programma en de werkwijze van de docent/trainer niet waren wat zij ervan verwacht hadden, terwijl men er wel geld of inspanning voor had moeten leveren. Ook zij kunnen gebruikmaken van cognities die leiden tot rechtvaardiging achteraf, zoals 'Gelukkig had ik niets voorbereid’ of  ‘Ik heb in ieder geval weinig betaald voor deze bijeenkomst’.

Wanneer geen van deze rechtvaardigingen opgaat, kunnen zij hun zelfbeeld in standhouden door ‘neerwaarts te vergelijken’ (het vergelijken met mensen die slechter scoren op een trek of vaardigheid dan jezelf). Door zichzelf neerwaarts te vergelijken met degene die de bijeenkomst verzorgt, en zijn of haar vaardigheden af te zetten tegen hoe zij het zelf doorsnee genomen doen of ervaren, kunnen groepsleden zichzelf op een voetstuk zetten. Hiermee repareren zij hun ‘beschadigde’ zelfbeeld en voelen zich weer beter.

Sommige deelnemers gaan nog verder in dit proces. Zij hebben wat extra’s nodig om hun positieve zelfbeeld vast te houden, namelijk de trainer feedback geven op zijn gedrag, zodat hij net zo goed kan worden als zij voor ogen hebben.  

Wat kun je hiermee binnen lesgeven en trainen?
Interne cognitieve processen bij deelnemers om dissonantie te reduceren, zijn meestal niet inzichtelijk voor jou als docent of trainer. Anders wordt het wanneer je oprechte (of onoprechte) feedback van deelnemers krijgt. Als je uitgaat van de oprechte bedoelingen van de feedbackers, kun je beter iets met feedback doen.

Uit sociaal psychologisch onderzoek blijkt dat wanneer mensen een negatief aspect aan zichzelf willen veranderen (bijvoorbeeld de werkwijze), zij graag accurate feedback hebben. Probeer dus zo goed mogelijk te achterhalen waar de deelnemers precies feedback op geven en wat je nodig hebt om je gedrag te verbeteren/veranderen. Alleen dan kun je iets met de feedback.

Vergeet niet dat ook deelnemers iets te leren hebben; met rücksichtslos wat opmerkingen ventileren, helpen zij jou niet. Zorg dat zij duidelijk aangeven wat het effect van jouw gedrag/werkwijze op hen is, wat zij graag anders zien en waarom. Wijs hen op de ‘feedbackregels’. 

Als docent of trainer blijf je zelf verantwoordelijk voor wat je wel en niet doet met feedback. Interessant gegeven hierbij is dat een hoger gevoel van eigenwaarde maakt dat we meer voor feedback openstaan. De vraag is nu: krijgen we dat door feedback of rechtvaardiging achteraf?

De psycholoog voor de klas (1)
De psycholoog voor de klas (2)
De psycholoog voor de klas (3)

Monique Bekker is psycholoog en docent/trainer in groepsdynamica bij BOC Onderwijsadvies en auteur van het boek Leuker Lesgeven. Haar nieuwste boek 'Focus op Groepsdynamica' komt eind april 2012 uit bij Boom/Lemma.

Reageren? Mail naar A&O-items.