achtergrondfiguurAlgemeen0202
logo_nip03
logo_waop03

NIEUWSBRIEF ARBEIDS- & ORGANISATIEPSYCHOLOGIE
Jaargang 3 - nr. 2 - april 2005

Beroepsethiek aflevering 1: Goed gedaan jochie!

Door Jos Mulder
Vaak is arbeidspsychologisch onderzoek gebonden aan snelle doorlooptijden. De opdrachtgever wil of moet op korte termijn over de onderzoeksresultaten beschikken. Het is echter een slecht idee een cliënt afstand laten doen van zijn blokkeringsrecht om het onderzoek te bespoedigen. Dit heeft in het verleden geleid tot tuchtrechtelijke maatregelen tegen beroepsgenoten.

Wanneer aan het einde van een onderzoeksdag de diverse onderdelen van het onderzoek zijn doorlopen, vindt meestal een bespreking van de onderzoeksresultaten plaats. Vanuit het gezichtspunt van informatieoverdracht is dit tijdstip verre van optimaal. De cliënt is immers vermoeid en zal daardoor moeite hebben om de aangeboden informatie te overzien en in zich op te nemen. Vaak is ook sprake van tijdsdruk: het einde van de werkdag nadert, en de beschikbare tijd is beperkt. Maar men voegt zich naar de situatie, want de beroepsethische regels benadrukken de noodzaak van informatieverstrekking aan de cliënt.

De psycholoog kan als ervaren professional gebruikmaken van het interactieve aspect van een gesprek door in te spelen op vragen van de cliënt. Hij kan de toelichting op de onderzoeksresultaten als het ware 'op maat' aanbieden. Een dergelijk gesprek zal in de meeste gevallen eindigen met de (mondelinge) formulering van het professionele oordeel van de onderzoeker. Na zo'n gesprek stemt een cliënt wel eens in met gelijktijdige verzending van het onderzoeksrapport aan de opdrachtgever. Of: ergens in het voorafgaande traject heeft de cliënt een verklaring ondertekend dat de onderzoeksrapportage zonder meer ter beschikking komt van de opdrachtgever. (Zeker niet ongebruikelijk bij cliënten die een reïntegratietraject doorlopen.)

Zo op het eerste gezicht: niets aan de hand, de cliënt is geïnformeerd over de onderzoeksresultaten, de conclusies, eventuele aanbevelingen en adviezen zijn besproken en de cliënt heeft (op voorhand) toestemming gegeven voor het doorsturen van het rapport aan de opdrachtgever. Er is voldaan aan de beroepsethische bepalingen van recht op voorinformatie en de cliënt heeft geen gebruik gemaakt van het blokkeringsrecht.

De hierboven geschetste werkwijze heeft echter in het verleden meerdere keren geleid tot tuchtrechtelijke maatregelen tegen beroepsgenoten. De afweging van het College van Toezicht was dat de beslissing om daadwerkelijk af te zien van het blokkeringsrecht pas genomen kan worden na feitelijke kennisname van de schriftelijke rapportage. Een mondelinge toelichting alleen is niet voldoende. In die toelichting is nog onvoldoende duidelijk hoe de uiteindelijke formulering eruitziet als deze zwart op wit staat.

In een mondelinge nabespreking kan de wijze waarop de boodschap wordt overgebracht ('Goed gedaan Jochie! Het ging zeker niet slecht'), behoorlijk afwijken van hetgeen vervolgens op schrift wordt gesteld ('Niet zo geschikt om de beoogde functie te vervullen'). Soms worden de negatieve conclusies in een persoonlijk gesprek onvoldoende duidelijk verwoord of worden de onderzoeksresultaten wat te positief voorgesteld.

Het recht om rapportage te blokkeren is alleen goed te realiseren als de cliënt voldoende mogelijkheden heeft gehad om terdege kennis te nemen van het uit te brengen rapport. Dat kan alleen door het rapport schriftelijk aan hem voor te leggen. Een cliënt vooraf en bij voorbaat afstand laten doen van het inzage- en/of blokkeringsrecht, is uitermate onethisch en daarom klachtwaardig.

Jos Mulder is directeur van Arbeids Psychologisch Advies te Den Bosch en lid van de Raad van Advies in Beroepsethische Zaken (Rabez)

Wilt u reageren op dit artikel? Stuur dan een e-mail naar de redactie (ao-items@psynip.nl).

 

[AenO-items] [AenOapril2005]